Artikel 39, eerste lid, van de Wet bodembescherming bepaalt, voor zover hier van belang, dat indien een geval van ernstige verontreiniging wordt vermoed de melding, bedoeld in artikel 28, tevens vergezeld gaat van de resultaten van het nader onderzoek alsmede de resultaten van het saneringsonderzoek en van een saneringsplan.
Artikel 38, eerste lid, van de Wet bodembescherming bepaalt dat degene die de bodem saneert, de sanering zodanig dient uit te voeren dat daardoor de functionele eigenschappen die de bodem voor mens, plant of dier heeft, worden behouden of hersteld, tenzij zich omstandigheden voordoen als bedoeld in het derde lid.
Ingevolge het derde lid wordt bij algemene maatregel van bestuur bepaald in welke daarbij aangewezen omstandigheden die verband houden met bijzondere kenmerken van het betrokken geval van verontreiniging, maatregelen kunnen worden genomen, die leiden tot het isoleren en het beheersen van de verontreiniging alsmede tot het controleren van de effecten van het isoleren en het beheersen. Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld omtrent isoleren, beheersen en controleren als bedoeld in de eerste volzin.
12 mei 2003 GS van Gelderland Besluitvaststelling bodemsanering
5 augustus 2005 dienstenbestek Tauw
Verzoek om Proces-verbaal 200901256 1 M2 Raad van Staten